Door Jaap Brunnekreef, adviseur leren & toetsen én trainer bij Teelen
Herken je dit scenario? Je beoordeelt een (praktijk)opdracht met behulp van een beoordelingsmodel met een rubric. Elk beoordelingsniveau krijgt een score van 1 tot bijvoorbeeld 3 punten. Je telt het aantal behaalde punten op en berekent een cijfer. Tijdens het nakijken had je het idee dat het product van de leerling niet al te best was. Maar als je de punten optelt en het cijfer berekent, blijkt het ineens toch een voldoende te zijn. Hoe kan dat?
Het beoordelingsmodel
Hoe wordt een (praktijk)opdracht ook alweer beoordeeld? Om een (praktijk)opdracht te beoordelen, heb je een beoordelingsmodel nodig. Het beoordelingsmodel bestaat uit beoordelingscriteria, die gestoeld zijn op de leerdoelen (toetstermen). En per beoordelingscriterium is er een niveaubeschrijving. De beoordelingscriteria (verticaal) en de beoordelingsniveaus (horizontaal) worden ook wel rubric genoemd. Hieronder zie je een voorbeeld van een beoordelingsmodel voor een schrijfopdracht.
Beoordeling met 1 als laagste niveau
Om een opdracht te beoordelen heb je dus een beoordelingsmodel nodig. In dit voorbeeld bevat ons beoordelingsmodel een rubric van 3 niveaus. Het laagste niveau krijgt 1 punt en het hoogste niveau 3 punten. Stel dat de leerling de volgende score behaalt op de rubric:
Hoe bereken je het cijfer?
Er zijn verschillende manieren om een cijfer te berekenen. In deze blog gebruiken we een veelvoorkomende en eenvoudige methode: we delen het behaalde aantal punten door het maximaal aantal te behalen punten. Dit vermenigvuldigen we vervolgens met 10. Zo ontstaat een cijfer op een schaal van 1 tot 10.
De formule ziet er als volgt uit:
(Behaalde punten / Maximaal aantal punten) × 10
Deze methode wordt op veel scholen gebruikt. Stel dat een leerling 5 van de 9 punten behaalt. Dan wordt het cijfer: (5/9) x 10 = 5,5
Beoordeling met 0 als laagste niveau
Maar wat gebeurt er met het cijfer als je werkt met nul punten voor het laagste beoordelingsniveau?
Als je werkt met dezelfde methode als hierboven beschreven, wordt het cijfer: (2/6) x 10 = 3,3
De leerling scoort hier dus aanzienlijk lager, ondanks een vergelijkbare prestatie.
Hoe kan dit?
Waarschijnlijk ben je onbewust in een veelvoorkomende beoordelingsvalkuil gestapt. Als het beoordelingsniveau loopt van 1 tot 3 punten, krijgt de leerling op het laagste niveau namelijk altijd 1 punt. Terwijl de leerling misschien helemaal niks goed had! Om te laten zien wat er is gebeurd, zet ik in de tabel hieronder de cijfers van beide voorbeelden af tegen de ‘toetsprestatie’. De toetsprestatie representeert hier hoeveel procent van de punten er door de leerling is behaald.
Wat aan deze grafiek opvalt:
- Bij het eerste voorbeeld, waarbij het beoordelingsniveau loopt van 1 tot 3, is het laagst mogelijke cijfer een 3,3. De formule is (3/9) x 10. In de grafiek begint het cijfer dus bij een 3,3. Let wel: de leerling had niets goed.
- Bij het tweede voorbeeld, waarbij het beoordelingsniveau loopt van 0 tot 2, is het laagst mogelijke cijfer een 0. De formule is (0/6) x 10. De effectieve cesuur schuift hierdoor een behoorlijk eind naar rechts (de rode punt in de grafiek).
Cesuur
Wat is de cesuur ook alweer? De cesuur is het aantal punten dat een leerling moet behalen om een voldoende te krijgen (cijfer 5,5). Dit wordt ook wel de zak-/slaaggrens genoemd.
Nul punten voor het laagste beoordelingsniveau heeft dus een groot effect op je cesuur. Hierdoor wordt je beoordeling een stuk strenger. Als je rekent met nul punten als laagste score en je past de bovenstaande formule toe, dan moet de leerling 55% van de te behalen punten scoren voor een voldoende ((3,3/6) x 10). De cesuur ligt dan op 3,3 punten (55%). Als je beoordelingsniveau loopt van 1 tot 3, moet de leerling 5 van de 9 punten behalen voor een voldoende ((5/9) x 10). De cesuur ligt dan op 33% (af te lezen uit de grafiek).
Meerder beoordelingsniveaus
In ons voorbeeld werkten we met 3 beoordelingscriteria met daaraan gekoppeld 3 beoordelingsniveaus. Als je met meer beoordelingsniveaus werkt, kom je op een iets hogere cesuur uit. De cesuur wordt strenger, maar blijft relatief laag. Zeker in vergelijking met kennistoetsen waar de cesuur vaak veel hoger ligt > 65%.
Samenvattend
Veel scholen geven 1 punt voor het laagste niveau van de rubric. Hierdoor behalen leerlingen relatief hoge scores voor praktijkopdrachten, omdat ze als het ware ‘gratis punten’ krijgen op het laagste niveau van de rubric. Het is goed om je hier als docent bewust van te zijn bij het maken van een beoordelingsmodel voor een praktijkopdracht.