Door Jaap Brunnekreef, adviseur leren & toetsen én trainer bij Teelen
In een eerdere blog besprak ik hoe je een cijfer kunt berekenen voor een theorietoets. In deze blog richt ik me op praktijkopdrachten. Het berekenen van een cijfer voor een praktijkopdracht verloopt namelijk net iets anders dan bij een theorietoets. Bij praktijkopdracht werk je niet met toetsvragen, maar met beoordelingscriteria en punten. Dat vraagt om een andere aanpak. Maar hoe bepaal je dan het cijfer? Welke methode kun je gebruiken om tot een eerlijke en transparante beoordeling te komen?
Het beoordelingsmodel
Om een praktijkopdracht te beoordelen heb je allereerst een beoordelingsmodel nodig. Het beoordelingsmodel bestaat uit beoordelingscriteria – die gestoeld zijn op de leerdoelen (toetstermen) – en per beoordelingscriterium is er een niveaubeschrijving. Hieronder zie je een voorbeeld van een beoordelingsmodel voor een schrijfopdracht (tabel 1).
Hoe wordt het cijfer vaak berekend?
Een veelvoorkomende manier om het cijfer voor een praktijkopdracht te berekenen, is om het behaalde aantal punten te delen door het maximaal te behalen aantal punten en dit vervolgens te vermenigvuldigen met 10. In feite neem je dan een percentage van het aantal behaalde punten.
De formule ziet er als volgt uit:
Toetsprestatie en cijferberekening: hoe ziet dat eruit?
Wanneer je het aantal behaalde punten afzet tegen het bijbehorende cijfer, ontstaat er een grafiek die dit verband laat zien (zie grafiek 1). Op de x-as staat het cijfer en op de y-as de toetsprestatie: het percentage van het totaal aantal punten dat een leerling heeft behaald.
Deze lijn begint bij nul, omdat het laagste niveau in de beoordelingsbeschrijving overeenkomt met nul punten. In mijn blog ‘Waarom een rubric met 1 punt als laagste score je cesuur flink kan beïnvloeden’ legde ik al uit dat het logisch is om het laagste niveau te laten starten bij nul punten, je wilt leerlingen immers geen ‘gratis punten’ geven.
Stel dat een leerling 5 van de 9 punten behaalt. Dan is de toetsprestatie ongeveer 55% (5 ÷ 9 × 100%), wat in deze berekening resulteert in een cijfer van 5,5. De cesuur ligt bij deze formule dus op 55%.
Grafiek 1: Lineaire cijferbepaling bij een cesuur van 55%
Wat als je de cesuur zelf wilt bepalen?
Bij het gebruik van de standaardformule werk je automatisch met een cesuur van 55%. Maar wat als je zelf wilt bepalen hoeveel punten een leerling minimaal moet behalen om een voldoende te krijgen voor een praktijkopdracht? Hieronder leg ik stap-voor-stap uit hoe je de cesuur bewust anders kunt instellen.
Stap-1: zelf de cesuur bepalen
Als je het beoordelingsmodel af hebt, ga je bepalen hoeveel punten de leerling moet behalen voor een voldoende. Ik gebruik hiervoor weer het voorbeeld van de schrijfopdracht (zie tabel 1). Ik heb kruisjes gezet in de niveaubeschrijvingen en wil dat mijn leerlingen minimaal 2 punten scoren op alle 3 de beoordelingscriteria, dus 6 punten (2 x 3). De cesuur is dan 66,7% van de maximaal te behalen punten (6 ÷ 9 x 100%).
Stap-2: formule voor cijferbepaling
Als je de cesuur hebt bepaald, kun je verder met het berekenen van het cijfer. Hiervoor gebruik ik de formule die wordt gebruikt in TestVision, het digitale toetssysteem van Teelen.
Dat is deze formule:
Als we het aantal behaalde punten (de toetsprestatie) afzetten tegen het cijfer, ontstaat de onderstaande grafiek (zie grafiek 2). De toetsprestatie representeert hier hoeveel procent van de punten er door de leerling is behaald.
Grafiek 2: lineaire cijferbepaling bij een cesuur van 66,7%
Nadeel
Het nadeel van deze formule is dat de leerling het cijfer 1 krijgt bij een score lager dan 3 punten. Hij zou zelfs negatief kunnen scoren als hij nog minder punten behaalt.
Wil je dit niet, dan kun je een split lineaire cijferbepaling toepassen, waarbij je een andere formule toepast voor het onderste deel van de lijn, tot het cesuurpunt. De lijn krijgt dan een knik bij het cesuurpunt. Zie de grafiek hieronder (grafiek 3):
Grafiek 3: Split lineaire cijferbepaling bij een cesuur van 66,7%
Voor een toetsprestatie onder de cesuurgrens geldt dan:
Omzettingstabel maken
Op basis van deze 2 formules kun je met behulp van Excel (of met een rekenmachine) een omzettingstabel maken van het aantal behaalde punten en het corresponderende cijfer voor de praktijkopdracht.
Samenvattend
Het berekenen van een cijfer voor een praktijkopdracht verloopt net iets anders dan bij een theorietoets. In plaats van toetsvragen werk je met beoordelingscriteria en punten. Door goed na te denken over hoeveel punten een leerling minimaal moet behalen voor een voldoende, leg je bewust een cesuur vast. Op basis van die grens kun je vervolgens een passend cijfer berekenen.
In deze blog heb ik een formule gedeeld waarmee je het cijfer voor een praktijktoets kunt berekenen, mét ruimte om je eigen cesuur te bepalen. Zo houd je grip op de beoordeling en sluit je beter aan bij de leerdoelen van je praktijkopdracht.
Wil je meer weten over het berekenen van een cijfer voor een praktijkopdracht? Volg dan onze training Toetsontwikkeling – praktijktoetsen.