Constructievoorschriften voor toetsen met gesloten en open vragen – Overzicht

Teelen-0518

Hieronder vindt u de constructievoorschriften voor toetsen, zoals wij die in ons boek Toetskwaliteit in de praktijk. Hoe maak ik goede toetsen met gesloten en open vragen? nader hebben uitgewerkt.

Constructievoorschriften voor gesloten vragen

Gv-1: “De vraag moet aansluiten bij de inhoud van de toetsterm”.

Gv-2: “De vraag moet aansluiten bij het niveau van de toetsterm zoals aangegeven in de toetsmatrijs”.

Gv-3: “De vraag mag geen vertekend beeld (bias) door leeftijd, sekse, cultuur, geloof en dergelijke opleveren”.

Gv-4: “De vraag mag geen dubbele ontkenning bevatten”.

Gv-5: “De vraag mag geen strikvraag zijn”.

St-1: “De stam moet een duidelijke probleemstelling of vraag bevatten”.

St-2: “De stam mag maar één probleemstelling of vraag bevatten”.

St-3: “De stam moet bij voorkeur positief zijn geformuleerd”.

St-4: “De stam mag geen absolute of vage formuleringen bevatten”.

St-5: “De stam mag geen (grammaticale) aanwijzingen in de richting van het juiste antwoord bevatten”.

St-6: “De stam moet kort en bondig zijn geformuleerd en mag geen overbodige informatie bevatten die de kandidaat kan afleiden”.

St-7: “De stam mag maar op één manier kunnen worden geïnterpreteerd”.

Al-1: “De alternatieven mogen geen absolute of vage formuleringen bevatten”.

Al-2: “De alternatieven moeten qua lengte, woordgebruik en formulering met elkaar vergelijkbaar zijn (homogeniteit)”.

Al-3: “De alternatieven moeten inhoudelijk en grammaticaal goed aansluiten op de stam”.

Al-4: “De alternatieven mogen niet als ‘Alle van bovenstaande’ of ‘Geen van bovenstaande’ zijn geformuleerd”.

Al-5: “De alternatieven mogen geen woordherhalingen bevatten”.

Al-6: “De alternatieven moeten in een logische volgorde worden gerangschikt”.

Al-7: “De alternatieven mogen geen letterlijke teksten of voorbeelden uit de leerstof bevatten”.

Sl-1: “De sleutel mag niet tot discussie tussen deskundigen leiden”.

Sl-2: “De sleutel mag niet het meest gespecificeerde of langste alternatief zijn”.

Af-1: “De afleiders moeten elkaar uitsluiten (mogen onderling niet afhankelijk zijn)”.

Af-2: “De afleiders moeten plausibel zijn voor degenen die de stof niet goed hebben bestudeerd”.

Constructievoorschriften voor open vragen

Si-1: “De situatiebeschrijving moet zijn gebaseerd op een representatieve, veelvoorkomende praktijksituatie”.

Si-2: “De situatiebeschrijving moet kort en bondig zijn geformuleerd en mag geen overbodige informatie bevatten die de kandidaat in verwarring kan brengen”.

Si-3: “De situatiebeschrijving moet duidelijk zijn”.

Si-4: “De situatiebeschrijving moet nodig zijn om de vraag te kunnen beantwoorden”.

Ov-1: “De vraag moet aansluiten bij de inhoud van de toetsterm”.

Ov-2: “De vraag moet aansluiten bij het niveau van de toetsterm zoals aangegeven in de toetsmatrijs”.

Ov-3: “De vraag moet duidelijk zijn (en een duidelijke antwoordinstructie bevatten voor de kandidaat)”.

Ov-4: “De vraag moet enkelvoudig zijn gesteld (één vraag tegelijk)”.

Ov-5: “De vraag moet positief zijn geformuleerd”.

Ov-6: “De vraag mag maar op één manier kunnen worden geïnterpreteerd”.

Ov-7: “De vraag mag geen vertekend beeld (bias) door leeftijd, sekse, cultuur, geloof en dergelijke opleveren”.

An-1: “Het antwoordmodel mag niet tot discussie tussen beoordelaars of deskundigen leiden”.

An-2: “Het antwoordmodel moet een eenduidig modelantwoord op de gestelde vraag bevatten”.

An-3: “Het antwoordmodel moet een duidelijk scoringsvoorschrift bevatten”.

An-4: “Het antwoordmodel moet een duidelijke instructie voor de beoordelaar bevatten”.

An-5: “Het antwoordmodel moet een aantal punten toekennen dat past bij de omvang van de vraag en de toetsmatrijs”.

Nieuwsgierig geworden naar de uitleg bij de constructievoorschriften? Deze vindt u in ons boek. Bestel uw exemplaar direct in onze webshop!